Hersenpap

Met een houten lepel
roer ik in mijn hersenen tot
ze zacht genoeg zijn
om op te drinken

de resten werp ik op de straatstenen
tussen de huizen die in rijen aanschuiven
richting centrum Gent (maar nooit
echt verder raken)

een rat rukt geruisloos uit de riool,
het is vast de reïncarnatie van Usain Bolt –

de wolken pakken samen en ik kijk
hoe ze samensmelten tot suikerspinnen van water

mijn blik voor het eerst sinds lang
weer omhoog gericht

Sporen

Als er iets was
wat ik je vertellen zou
dan is het dit:

zoals een trein nooit afwijkt van zijn sporen
zal ik pendelen tussen zelfbewustzijn en zwoegen
tussen existentialisme en vooruitgang

de voeten gebonden aan de grond zoals wielen aan de rails
het voorbijgaande landschap aanschouwend
maar nooit echt betredend

Als er iets is
wat er nog te zeggen valt
dan is het dit:

er is vast een eindstation
de weg ernaartoe is de moeite waard
maar jammer genoeg
van bovenaf bepaald

Even verder

Een huis, ingekerfd in uitgestrekte velden,
uitgeleefd aan een slingerende weg,
slaakt kreten van vergetelheid

Halfopen ramen groeten de ochtendlucht,
gastvrij als een uitgestoken hand
terwijl de weide haar opmars hervat
richting de afgesleten oprit

Er wonen hier vast mensen, zeg ik.
Je zegt: dat kan best zijn

De slingerende weg brengt ons verder
dan we eerst waren en ik kijk achterom
om te zien of we niets verloren waren

maar het enige wat ik zag
was dat huis, ingekerfd in de velden
als in mijn hart

waar ik mijn eerste ochtend zag

onder de lamp

Als een orkaan in een visbokaal
neem ik de wereld tussen mijn twee vingers
en hang hem op met een wasknijper
in het midden van het universum

zodra ze droog is leg ik ze onder
de warmtelamp – ze is een schildpad
geëvolueerd uit het niets, steeds traag verder
kruipend, nooit ophoudend,

als kinderen die moeders verlaten
en moeders die de wereld verlaten
en ergens in het warme gesteente van de
opgehangen aardbol een cirkel ontwaren

vissen

Ik dobber onder de brandende zon
op het vlot dat me bracht van daar naar hier
en dat me zal brengen: verder –

achter mijn ogen: een aquarium, gevuld met veelkleurige vissen
die ploeteren in het zoete water, terwijl ik stilzittend vooruitga
op het vlot onder mijn voeten

het water kolkt, de zon brandt, het water valt, de zon brandt,
het water kalmeert, de zon dirigeert en vraagt: hitte of verdrinken?

Even later, ik: onder water, met open ogen, met leeggelopen schedel
en voor mij, de veelkleurige vissen – zo ongelofelijk in hun element.

Sonnet 1

Alas! ‘t Is true – for those who weave a web
of words to catch the content of their heart:
‘t is prevalence of pain that sets them ‘part;
(since they cannot blow away the cobweb

of melancholy in their restless minds.)
For hours they ruminate on past events
to find the missing link, where their life bent
towards the wrong direction, for fate blinds

the brightest even more severe. Somehow
‘t is they who try to temper truth into
the language of the muse that are destined

to sing of sorrow, and e’er disallow
a gaiety of spirit – for it’s true
that happy and creative ne’er really rhyme

Een wandeling

Pas na twintig minuten stilzwijgend zij aan zij te lopen, besef ik dat er iets veranderd is. Je hebt je nieuwe sokken aangetrokken. Ze blinken vanonder de afgeleefde jeans – maar ik zeg er niets van en we lopen door.
Een zebrapad en een straathoek later struikelt een vrouw over een losliggende stoeptegel, haar pas gekochte vaas zweeft door de lucht en breekt op het asfalt. De bloem kijkt hulpeloos toe hoe haar water wegloopt.
Wat verder houden we halt aan een bankje in het Muinkpark. Ik lees de woorden in je ogen en schrik van de zinnen die ze vormen. Mijn ogen slaan neer. In mijn ooghoeken zie ik het zonlicht weerkaatsen op de sokken die ik je voor je verjaardag had gekocht. Je haalt adem en ik zwijg.
Vijf minuten later zie ik je haren wapperen aan de ingang van het park. Je sokken blinken nog steeds, maar je voeten zijn niet langer gehaast. Mijn gedachten dwalen af naar de bloem van de gestruikelde vrouw en ik huil. Ik huil zo hard dat ik amper zie hoe mijn tranen hulpeloos hun weg zoeken van het paadje naar het gras rond het bankje waarop ik zit – waar jij zopas nog zat.

Leven

Leven is leren incasseren,
jezelf richten naar de zon en smelten

leven is jezelf water geven;

leven is groeien, jezelf verdelen in takken
en stronken, sommige afbreken en andere voeden
en toch steeds een geheel blijven

leven is de lucht plukken en geplukt worden
meewaaien in de wind, neerdalen op
ongerepte grond en er een huis van bladeren bouwen

leven is simpelweg alles dat beweegt
en bijgevolg nooit dat wat niet beweegt:
stilstaan is gewoon een mooi woord voor vergaan

Een nacht

wacht nog even

met het leggen van lange zinnen tussen je lippen
laat de wereld voorlopig nog
voor wat ze is

kijk: een straatlamp zeeft de regen uit de lucht,
verder glijdt een bus op zijn buik langs haltes
zonder stoppen – het is vast avond
het is vast te laat voor dit soort conversaties;

zachtjes draai ik mijn tranen weg van het raam

zachtjes draai ik mijn tranen weg van het raam
terug naar jouw gelaat, en ik vraag je doodsbang
of je nog even wachten kan

maar ook op jouw gezicht is de nacht gevallen;
en mijn wereld ligt gebroken op de baan
waar jouw zinnen zopas voorbij reden