Asfalt

Asfalt slaapt onder een laken van auto’s,
berust in de rusteloosheid van haar huid

belt ze wegenwerken – want hier en daar
schemeren barsten als puisten

even later bewegen onbekende over haar oppervlak
en zij slaapt verder, vol vertrouwen

dat onbekenden haar wel
zullen herstellen

Oase

een kerk slaapt
rechtop in een oase van steen –

de stad is een woestijn van tijd
met kasseien als korrels: droog en onverschillig
voor de herinneringen die in haar midden liggen
en de kinderen die groeien en vergaan  

Winteravond

Lijnen worden tot rechthoeken,
groeien tot gebouwen met rokende schoorstenen

Hout wordt vuur, seconden uren,
jij en ik verdwijnt in ruil voor wij

Buiten verschuilt de zon zich achter de nacht
kruipt de winter op de ramen en kijkt de stilte
vol afgunst door het raam – jaloers

op de geluidloze warmte
tussen ons in

verstrikt

Gebouwen leven op vier poten – ze ademen
luid en langzaam de lucht uit een onbuigzaam verleden,

van momenten en mensen –
werkelijkheden die scheurden als veters
en kinderen die verstrikt raakten

tussen in-
en uitgangen

Zoeken

Verdwaald als een richtingloze wind
zoek ik naar de toekomst

die gestikt is in de palm van mijn hand;

voor het begrijpen was er het voelen
van hand op hals, van warmte zonder woorden

nu rest me enkel het wijzen
naar alles wat pijn doet

en tegelijk zo onlosmakelijk
deel van mij is –

ten einde raad blaas ik woorden
naar een voorbijganger:

weet jij toevallig
waar ik de toekomst moet zoeken?

Vogelvrij

onverstoord giet ik
gemoedsrust over de laatste
drie dagen – tot ze verdrinken:

ze zijn

nooit gebeurd – ze zijn
verbeurd verklaard
in de rechtbank van mijn hoofd.

vrijgesproken betreed ik
de toekomst – schuldig,

maar op vrije voeten

Glimlachen

De straten, eens gevuld
met glimlachen, liggen er verlaten bij;

ik mis het: de stille knik van vreemden,
die liefkozende neutraliteit die we collectief ophingen
aan de wanden van minuscule weggetjes in het centrum,
terwijl we allemaal ergens heengingen, of nergens,
maar stil – nee, stil was het nooit.

Vandaag liep ik door de straten en hoorde de laatste decibels
door de riolen lopen, doorgespoeld – ze mogen niet langer
blijven hangen in de lucht;

voortaan verbergen warme woorden zich
achter een ondoordringbaar masker
dat het lachen nooit geleerd heeft, nee,
de lach verdween uit het straatbeeld en in haar plaats

verscheen een witte stilte, een onbeschreven blad dat al
even hard schreeuwt als de harten die hunkeren achter
een warme hand om lijf en lenden – een hand
die herinneringen van liefde schrijft in onze hersenen

en alles voor even
doet vergeten

een uur aan de muur

In de schaduw aan de muur
verschuilt er zich een uur
dat moegestreden slapen wil
maar het wordt nooit werkelijk stil

Met alle kracht houdt ze vast
aan de hoeken van de kast
tot ze ijlings slaat op de vlucht
voor de gretige hand in de lucht

Maar er is geen ontkomen aan:
de hand die steeds vooruit wil gaan
dus wordt ze zomaar weer geslacht
door een kind dat van alles

veel verwacht

Wolkengeluk

De wollige lucht
puft en zucht

ze zwoegt om te baren: enkele tranen – of zijn het
druppels van geluk?

onder de witte stilte
ligt een glimlach te rusten op stille lippen

en ik, ik ben op slag zo zacht
als de lucht tussen ons in
en ik, ik zucht

mijn wangen trillen en baren een traan
is dit het dan –

geluk?