Bouwstenen

Grijpen wie grijpen kan
en vooral wie niet begrijpen kan

neem alles vast; zoals een hand in een hand,
zoals vijf vingers op een ranke hals, zoals
gevoelens in een desolate grot

leg alles neer; jezelf bij besluiten, het bestek
op het lege bord, een klacht bij de dokter van wacht,
de wapens wanneer de wereld overweldigt

persoonlijkheid ligt
achter de fase van toekijken

Lentezon

De lentezon laat zich zien in de winter
en de stad ontwaakt –

mensen: nog even de straten inwrijven met mijn voetstappen
mensen: nog even gebouwen vullen met gelach gedempt door een mondmasker
mensen: nog even aan de leiband van de lente, bloeien is voor later
mensen: nog even hoop zoeken in mijn hersenen

virus: nog even leven in mijn schaduw

mensen: aan mijn eigen schaduw heb ik genoeg – mijn schaduw
en deze warmte van deze zon, de lentezon

politiek: is dit tijd voor een polemiek?

iedereen: nee.
ik: voor iemand die goed kan zwemmen ben ik best bang van een derde golf.

de lentezon:

Verbonden

Een pen is een brug
tussen hoofd en blad;

Lijken schuifelen langzaam over de stenen
tot ze bereiken: hun eindbestemming –

daar ontpoppen ze als vlinders uit hun metafysica,
nestelen ze zich in letters als in sarcofagen,
die zich languit verspreiden onder mijn vingers.

Biotoop

Zolang het verkeer niet verbetert
zal ik jagen achter zebrapaden,

stoplichten uitdoen voor het slapengaan
en dode hoeken tot leven wekken –

de wereld is een biotoop, en wie rust wil zoeken
kan maar beter op de hoede zijn

voor het tijgerbrood

(On)vindbaar

ik beklim woorden als bergen,
verleg de grenzen van de werkelijkheid
tot ver achter mijn gedachten

alles past in de lucht: glimlachen,
bevroren handen, verlies, de laatste letters,
de eerste adem en een spiegelbeeld
dat niet meer terugkijkt;

elk systeem is een raadsel
en de uitdaging is de oplossing niet te vinden

en dat, dat lukt me wel

Koekoek

Er hangt een vermoeide koekoeksklok
in mijn hersenen: het diertje kruipt niet meer
uit zijn kot – doodop schuilt het voor de tijd

die net als het vogeltje niet meer beweegt;

in de ellenlange stilte verlang ik naar het rinkelen
van de schoolbel – een teken dat het tellen van seconden
weer aangevangen kan worden, dat de kermisattractie
weer starten zal, dat lippen weer zullen lachen
zoals voeten elkaar ontmoeten;

en toch is het de stilte die wint, ondanks
het verlangen en ondanks de moed

toch is het de stilte die seconden kerft
op de muren van mijn gemoed

Regenworm

Vertel de velden je diepste geheimen
en de regenwormen zullen spreken:

de grond is hun huis en daar heersen ze.
het gras is voedzaam en dat eten ze.

hun wijsheid ligt tussen de grassprietjes
als een slang: hun grote stamvader;

geen enkel volk is zo bewonderenswaardig
als de pootloze duizendpoot: de regenworm;

natgeregend en vol verbazing kijkt een kind hen aan
en vraagt een onwetende vader hoe het mogelijk is
te blijven leven wanneer je zomaar en uit het niets

in tweeën
word gesneden

waterijs

Laat het duidelijk zijn: water-
ijs houdt niet van warmte
en al zeker niet van zon

ze mogen er dan wel uitzien als regenbogen,
ze zijn de enige die hopen dat na de regen
de zon nooit meer schijnt